Image Image Image Image Image
Scroll to Top

To Top

Strafzaken

01

mei
2016

In: Strafzaken

Door: F.P. Slewe

Wet tot herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

On 01, mei 2016 | | In: Strafzaken | Door: F.P. Slewe

Op 25 april jl. is de Wet van 8 april 2016 tot herziening strafbaarstelling faillissementsfraude in het Staatsblad verschenen (Stbl. 2016, 154). De nieuwe wet strekt tot verbetering van de wettelijke mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen faillissementsfraude.

Het is volgens de wetgever in de praktijk een knelpunt dat de huidige strafbaarstellingen die in het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen (artt. 340 t/m 344 Sr) met betrekking tot faillissementsfraude moeilijk leesbaar zijn en aanleiding geven tot misverstanden over hun exacte betekenis. De nieuwe wet voorziet op dit punt in een stroomlijning en modernisering en waar mogelijk vereenvoudiging, die de teksten duidelijker en beter toepasbaar maken.

Volgens de nieuwe wetsbepalingen is sprake van faillissementsfraude indien een natuurlijk persoon, die in staat van faillissement is verklaard, of een bestuurder/commissaris van een rechtspersoon, die in staat van faillissement is verklaard, voor de intreding van het faillissement buitensporige uitgaven heeft gedaan ten gevolge waarvan een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld (artt. 340 en 342 Sr nieuw).

Verder is volgens de nieuwe wetsbepalingen sprake van faillissementsfraude indien een natuurlijk persoon, die in staat van faillissement is verklaard, of een bestuurder/commissaris van een rechtspersoon, die in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens een faillissement, ten gevolge waarvan een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld, enig goed aan de boedel heeft onttrokken, een van zijn schuldeisers heeft bevoordeeld en/of als rechtspersoon buitensporige uitgaven heeft gedaan (artt. 341 en 343 Sr nieuw).

In de nieuwe wet wordt in verband met een faillissement voorts een aangescherpte strafbaarstelling gewijd aan de administratie-, bewaar- en afgifteplicht (artt. 344a en 344b Sr nieuw). Deze strafbepalingen zien onder meer op het voorkomen dat een fraudeur vrijuit gaat als een fatsoenlijke administratie ontbreekt en signalen van fraude daardoor niet of onvoldoende kunnen worden onderzocht. Een onvolledige administratie heeft bij een faillissement immers vrijwel altijd nadelige gevolgen voor de rechten van schuldeisers. Bovendien wordt het niet voeren van een administratie, ook onafhankelijk van het intreden van een faillissement, zelfstandig strafbaar gesteld als WED delict.

Daarnaast is het voor een effectieve aanpak van faillissementsfraude van belang dat in ernstige gevallen strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen laakbaar handelen waardoor een rechtspersoon in ernstige financiële problemen wordt gebracht met de ondergang van een onderneming en benadeling van schuldeisers als mogelijk gevolg. De mogelijkheid om daarentegen te kunnen optreden is gerechtvaardigd, ook wanneer het faillissement (nog) niet is ingetreden (art. 347 Sr nieuw).

Ten slotte draagt aan een effectieve opsporing en vervolging bij dat voor alle faillissementsdelicten toepassing van voorlopige hechtenis mogelijk is. Dit maakt onder andere toepassing van enkele bijzonder opsporingsbevoegdheden en het aanhouden en ophouden tot verhoor van de verdachte van deze misdrijven buiten heterdaad mogelijk.

Wanneer de wet in werking treedt is nog onbekend.

 

 

Wet tot herziening strafbaarstelling faillissementsfraude
3 (60%) 2 stemmen