Image Image Image Image Image
Scroll to Top

To Top

Strafzaken

17

dec
2017

In: Strafzaken

Door: F.P. Slewe

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

On 17, dec 2017 | | In: Strafzaken | Door: F.P. Slewe

Op 1 januari 2017 trad het eerste onderdeel van de Wet van 25 november 2015 tot langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking in werking (Staatsblad 2015, 460). Op 1 januari 2018 treedt het tweede onderdeel in werking. Het tweede onderdeel van de wet introduceert de zgn. maatregel gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende (GVM). De wet maakt het mogelijk dat zedendelinquenten, zware geweldsdelinquenten en voormalig terbeschikkinggestelden na hun terugkeer in de samenleving langer onder intensief toezicht komen te staan en dat hun resocialisatie aan voorwaarden is gebonden. Een bepaalde categorie delinquenten met een hoog risiconiveau op recidive zal hierdoor langdurig of zelfs levenslang onder toezicht kunnen blijven staan.

Volgens de nieuwe wet kan de rechter een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen voor terbeschikkinggestelden van wie de terbeschikkingstelling is geëindigd en voor zware gewelds- en zedendelinquenten van wie de gevangenisstraf is geëindigd of van wie de voorwaardelijke invrijheidsstelling na een gevangenisstraf is geëindigd. De rechter kan de maatregel reeds opleggen bij de uitspraak waarbij de verdachte ter beschikking wordt gesteld dan wel wordt veroordeeld voor zware gewelds- en zedendelicten.

In het kader van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel kunnen de volgende voorwaarden worden opgelegd:

  1. 
een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
  2. 
opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;
  3. 
een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;
  4. 
het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  5. 
het deelnemen aan een gedragsinterventie;
  6. 
een verbod om vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
  7. 
andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende;
  8. 
een locatieverbod;
  9. 
een contactverbod;
  10. 
een meldplicht;
  11. 
een beperking van het recht Nederland te verlaten;
  12. 
een verhuisplicht of een verbod om zich in een bepaald gebied te vestigen.

De voorwaarden kunnen afzonderlijk of in combinatie worden opgelegd. Tevens kan er elektronisch toezicht aan worden verbonden.

De tenuitvoerlegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel vindt pas plaats indien het Openbaar Ministerie een vordering daartoe doet bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd. De vordering dient in beginsel uiterlijk tien weken voor de beëindiging van de opgelegde tbs of gevangenisstraf te worden ingediend.

Als het Openbaar Ministerie een vordering indient, beoordeelt de rechter of hij aanleiding ziet de maatregel ten uitvoer te leggen. Dit is het geval indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de zelfstandige maatregel kan worden opgelegd of indien dit ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen noodzakelijk is.

De reclassering geeft een advies over het recidiverisico en/of de noodzaak tot bescherming van de slachtoffers of getuigen bij een vordering tot oplegging en bij een vordering tot tenuitvoerlegging of verlenging van het langdurig toezicht. Wordt de maatregel met als voorwaarde opname in een zorginstelling opgelegd dan dient daar tevens een medische verklaring aan ten grondslag te liggen.

Wanneer de rechter tot tenuitvoerlegging besluit, bepaalt hij in zijn vonnis welke voorwaarden daarbij worden gesteld en wat de duur van de maatregel is. De tenuitvoerlegging van de maatregel is dadelijk uitvoerbaar.

Een last tot tenuitvoerlegging van de maatregel kan afgegeven worden voor een periode van minimaal twee en maximaal vijf jaar en kan telkens door de rechter worden verlengd met een periode van minimaal twee, en maximaal vijf jaar. Levenslang toezicht is derhalve mogelijk.

Het Openbaar Ministerie of de veroordeelde kan de rechter verzoeken om opheffing of wijziging van de maatregel.

Tegen de last tot tenuitvoerlegging van de maatregel kan hoger beroep worden ingesteld bij het Hof Arnhem-Leeuwarden. Beroep staat evenzeer open tegen de verlenging van de duur van de maatregel, tegen de opheffing ervan en tegen de wijziging van de daarbij gestelde voorwaarden.

Vervangende hechtenis van ten hoogste zes maanden kan worden toegepast als de veroordeelde niet voldoet aan de maatregel. De vervangende hechtenis geldt echter niet als vervanging van de opgelegde maatregel. Bij elke verlenging van de maatregel gaat een nieuwe maximumduur van zes maanden vervangende hechtenis lopen.

De procedure voor de oplegging en tenuitvoerlegging zal worden geregeld in de Vierde Afdeling van Titel IIA van het Wetboek van Strafrecht (artt. 38z-38ag Sr).

De andere wijzigingen die op 1 januari 2018 in werking treden zijn:

  • De minimumduur van de proeftijd van de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) wordt gelijk getrokken met de minimumduur van de proeftijd van de algemene voorwaarde. De minimumduur van de proeftijd van de bijzondere voorwaarden van de v.i. bedraagt zodoende ten minste een jaar (art. 15c Sr, tweede lid).
  • In de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is de mogelijkheid opgenomen om de proeftijd eenmalig te verlengen met ten hoogste twee jaren.
  • Daarnaast kan de voorwaardelijke veroordeling telkens met ten hoogste twee jaar worden verlengd indien en zo lang er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat een zeden- of zware geweldsdelinquent wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen of indien dit ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen noodzakelijk is (art. 15c Sr, derde lid (nieuw)).

 

 

 

 

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Uw beoordeling