Image Image Image Image Image
Scroll to Top

To Top

Actualiteiten

03

dec
2012

In Actualiteiten
Commentaar
Rechtspraak

Door - K. Canatan

Afanasyev tegen Oekraïne

On 03, dec 2012 | In Actualiteiten, Commentaar, Rechtspraak | Door - K. Canatan

Na een reeks min of meer gelijkluidende oordelen van het EHRM over het recht op bijstand van een raadsman, is eindelijk weer eens sprake van een belangrijk arrest in het post-Salduz tijdperk, EHRM 15 november 2012, Afanasyev tegen Oekraïne.

Belangrijk voor de Nederlandse rechtspraktijk, omdat het EHRM het recht op bijstand door een raadsman ook voorafgaand aan de aanhouding van een verdachte erkent. Daarnaast oordeelt het EHRM dat over schending van art. 6 EVRM wegens het gebrek aan rechtsbijstand ook voor het eerst in cassatie mag worden geklaagd. De andersluidende rechtspraak van de Hoge Raad op beide punten lijkt geen lang leven meer beschoren.

De feiten

Op de avond van 19 april 2005 wordt een dakloze vrouw vermoord in Yevpatoriya in Oekraïne. De volgende ochtend wordt haar stoffelijk overschot onder een balkon van een flat gevonden, de doodsoorzaak is verstikking. De politie ondervraagt bewoners van de flat en een aantal van hen verklaart het slachtoffer met Afanasyev te hebben gezien gedurende de dag en de avond van 19 april 2005. Enkelen hadden ook gezien dat Afanasyev ruzie had met het slachtoffer en alcohol had gedronken.

In de middag van 20 april 2005 treft de politie Afanasyev aan in het gezelschap van een kennis en neemt hen mee naar een politiebureau voor verhoor. Afanasyev verklaart dat het slachtoffer hem had beledigd en hem in het gezicht had geslagen waarop hij haar keel heeft dichtgeknepen. De volgende ochtend zou hij een ambulance hebben gebeld.

Afanasyev wordt daarna meegenomen naar het kantoor van de officier van justitie en verder ondervraagd door een rechercheur (investigator).

Om 19:30 uur op 20 april 2005 wordt hij formeel aangehouden. In het verhoor bij zijn aanhouding verklaart Afanasyev dat de dood van het slachtoffer het gevolg van zijn handelen kon zijn. Om 19:40 uur herhaalt hij zijn verklaring in het bijzijn van een advocaat. Volgens Afanasyev arriveerde de advocaat pas bij het einde van het verhoor.

Het oordeel van het EHRM

Afanasyev klaagt over schending van art. 6 EVRM. Het EHRM herhaalt relevante overwegingen uit Salduz tegen Turkije:

The Court reiterates that Article 6 § 1 of the Convention requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided from the first time a suspect is questioned by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such a restriction – whatever its justification – must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6. The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during questioning by police without access to a lawyer are used for a conviction (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 55, 27 November 2008).

Het EHRM neemt een schending van art. 6 EVRM aan omdat Afanasyev bij zijn eerste verhoor op 20 april 2005, toen hij als verdachte was aangemerkt en ook als zodanig werd behandeld door de politie, geen rechtsbijstand van een advocaat had gekregen:

58. It has not been disputed by the parties that on 20 April 2005 the police brought the applicant to the police station because they had suspected him of having committed the murder. Indeed, the statements collected by the police from various interviewees earlier that day had thrown a strong suspicion on the applicant. This suspicion was reinforced after V. had made his own statements (see paragraphs 8 and 9 above). Accordingly, the Court finds it established that at the relevant time the police treated the applicant as a suspect (contrast Smolik v. Ukraine, no. 11778/05, § 54, 19 January 2012).
59. Also, it is not disputed that on 20 April 2005 the police questioned the applicant before the arrival of a lawyer. Meanwhile, this questioning resulted in the applicant confessing to the crime. Similarly, the applicant made self-incriminating statements without the presence of a lawyer when his arrest was formalised by an investigator from the prosecutor’s office later on the same date (see paragraphs 10 and 12 above).
60. The Court considers that, by virtue of the above-mentioned Court’s principles, the applicant was entitled to have access to a lawyer as from the first questioning that took place on 20 April 2005. There is no indication that the applicant waived that right.
61. The question, therefore, is whether the absence of a lawyer had been justified by a compelling reason. On the facts, the Court does not find any compelling reason for restricting the applicant’s right to a lawyer during that time. The Court further notes that the initial confession, obtained without a lawyer, was used by the courts for the applicant’s conviction (see paragraphs 23 and 25 above). In these circumstances the applicant’s defence rights were prejudiced irretrievably.
62. There has therefore been a violation of Article 6 §§ 1 and 3 (c) of the Convention in this respect.

Afanasyev is pas ná het eerste verhoor aangehouden, maar had daaraan voorafgaand al een raadsman moeten hebben. Ondanks dat het EHRM het recht op rechtsbijstand steeds koppelt aan het eerste verhoor van een verdachte blijft de Hoge Raad van oordeel dat alleen een aangehouden verdachte daar aanspraak op mag maken. Dat standpunt kan echter gezien dit arrest niet langer als juist worden aanvaard.

Cassatie

Afanasyev klaagt pas in cassatie voor het eerst over het het gebrek aan rechtsbijstand. Alhoewel het EHRM dat spijtig vindt, is dat niet te laat:

The fact that the applicant did not raise this issue before the Court of Appeal or at any other stage preceding the cassation review may be regrettable but cannot be the basis for concluding that the complaint is inadmissible on non-exhaustion grounds. The Court considers that the applicant sufficiently informed the domestic authorities of his complaint and that they were given appropriate opportunity to remedy the issue before it was raised at international level.

De Hoge Raad oordeelt hier anders over, maar zal ook hierop terug moeten komen om de Straatsburgse toets te kunnen doorstaan. Inmiddels is het voor advocaten gemeengoed geworden om in feitelijke instantie al te klagen over het gebrek aan consultatiebijstand, zodat de gevolgen in de praktijk zullen meevallen. Maar als het EHRM straks (nog) uitdrukkelijker het recht op fysieke aanwezigheid van een raadsman tijdens het verhoor erkent voorzie ik een nieuwe hausse aan cassaties. De Hoge Raad kan die dan niet meer verwerpen, omdat niet eerder is geklaagd over schending van art. 6 EVRM. Het zou verfrissend zijn als de Hoge Raad hierin het voortouw neemt en niet wacht op het EHRM. ‘Rechtspreken is vooruitzien’ is het gezegde toch?

Lees de volledige uitspraak

Tags |